Muziek/teksten

Boventallig

Je leeft, je geeft.
Je hoopt, en je bent een best aardig mens,
maar geen twintig meer.
Het is al weer wat jaren u, mevrouw, meneer.
Je voelt je nog jong, op de helft van je tijd.
Vroeger was je wijs, nu oud en grijs.

Maar er klinkt muziek.
Zet de stoelen in een kring.
We gaan dansen, stoelendansen.

(wijze hop Marjanneke)....Te laat, je staat op straat.

Refr:

Jij bent boventallig,
omdat je te oud bent voor werk.
Omdat God nu geld heet.  En de kerk,…
appel heet, beurs, bank of schelp.

I have a dream.
Dat zeg ik, Martin Luther Pin.
Mijn hart, mijn droom, daar past niet iedereen in.
Zie het eens zo, de wereld is een taart.
En we zijn niet allemaal een stukje waard.

Ik hou van Fried- man, patatje neoliberaal.
Pakken mannen, pak ‘m goed en slim, en wat je pakken kan. Dat is het verhaal.
En nu muziek.  Zet stoelen in een kring.
We gaan dansen, voor de kansen.  (wijze hop Marjanneke)

Te laat,…jij staat op straat.

Refr,

Stuk 

We hadden een tent geleend,
een hele mooie, hele dure, hij woog haast niets.
De zon lokte,
we pakten onze spullen achterop en reden weg op onze fiets.
Wind mee.
We hadden Zwolle snel bereikt, het was nog geen half twee.
Dus op naar Duitsland, in één ruk.
Pittig op het end, we zaten stuk. 

Stuk, stuk, stuk, stuk.

Onze tent stond heel snel,
dus het drinken kon beginnen.
Lurken uit de fles.
Ook onze nieuwe Duitse vrienden, dronken stevig door.
Ze gaven ons Schnaps, schnapsles.
Hoezee, we zongen, brulden, lachten en die malle Duitsers deden mee.
Ik zat naast Heidi, blond met dikke tieten,
en hoe meer ze zoop, hoe gekker, ze deed.
 

Wat een stuk, stuk, stuk, stuk.  …… 

Na het drinken werd het minder,
ik had van jou niet mógen lonken naar die domme dikke Duitse del.
Je zei, ik kan je bloed wel drinken,
ook de muggen in de tent, prikten dwars door m’n vel.
Van slapen kwam het niet, we sloten vrede onder druk,
want alle muggen moesten stuk.

Stuk, stuk, stuk, stuk 

Na een uurtje stevig meppen,
hield het zoemen op, de muggen waren dood en onze tent zag rood.
Daarna kwam de drank eruit.
Je was nog net op tijd, maar had die scheerlijn niet gezien.
Je viel,
heel zacht, midden in de nacht.
Nou, dat gaf me een ruk.
Je kon de stokken horen kraken, voor ze braken, lichtgewicht, en alles stuk, stuk …. 

We hadden een tent geleend,
een hele mooie, hele dure, en hij woog haast niets.

Heet op de dijk

 

Heet op de dijk,
trapten zij de wielen rond.
De wolken waren weg.
De tong droog in de mond.
Recht was de weg, hun schaduw was maar klein.
Klots water klots, mengt met wind.
Haar hand kwam dichterbij. 

Refr.

Wat een mooie dag, Wat een mooie dag. 

Fietsen langs dat meer.
op die eindeloze dijk.
De voeten op en neer.
Geen cent en toch heel rijk.
Trillend ging de lucht.
Zwetend zadel, brandend leer.
Het broeide in de broekjes,
jonge dame jonge heer. 

Refr 

Bij schuurtje in een bocht,
ging de handdoek uit de tas.
En achter bruin geteerde planken,
lagen zij toen in het gras.
Hoog voor de wind,
kwam een bromfietser voorbij.
Knorrend, puf, Puch, spattend grint.
Daar beneden zuchtten zij.

Refr        

Bloem van morgen

Bloem van morgen.
Eén  dag voor je opengaat.
Je wordt mooi, mooi, mooi.
Al zie je dat zelf niet. 

Roem van morgen,
‘n dag voor het doek op gaat.
Je bent goed, goed, goed.
Al vind je dat zelf niet. 

Refr.

Op een laddertje omhoog.
En ooit heel hoog in de nok.
Loop je stralend over koord.
Voor het evenwicht een stok.
Op een laddertje omhoog,
het is daar, lekker licht.
En waar je vroeger nog voor boog,
ben je nu in evenwicht                             

Zwaar gewicht,
hangend aan een dag die is geweest.
Je bent licht, licht, lichter,
al weet je dat zelf niet.

Refr

De laatste keer

Jij al oud, en ik een man.
Zomaar zaten we op een bankje in de zon.
Even verderop, hij had ‘m pas,
reed m’n zoontje door het gras.
Alles wat ik niet mocht, dat mocht hij.
Zoveel kattenkwaad maakte jou blij.
De zon die scheen.
Voor ons, voor hem, voor jou, voor mij. 

We stonden we op,
want jij wilde graag.
Een rondje lopen in de tuin, het kon nog net, de zon die zakte al, we liepen traag.
Alles al gezegd en uitgepraat.
Geen rekening was nog openstaand.
Dus ging het over bloemen, soms over niets,
of over kleine Wimpie op zijn gele fiets.
Maar…zo is niet, gegaan, tussen ons,… tussen jou en mij. 

Refr

Jij was geen prater en ik hield mijn mond.
Altijd was er iets wat er tussen stond.
Dichtbij op een bank was voor ons heel wat.
Ik dacht daar komt de opening.
Er veranderde geen spat.
Vader en zoon, zo gewoon. Zo gewoon, zo gewoon. 

Jij al oud, ik een man.
Zomaar zaten we op een bankje in de zon.
Even verderop, hij had ‘m pas,
reed m’n zoontje door het gras.
Je vroeg naar mijn werk, ik naar jouw week.
Alles heel normaal, zodat het leek,
op de keer daarvoor dat ik je sprak,
en de keer daarvoor.
Van hetzelfde meer. 

Volgende keer gaan we praten, echt praten.
Volgende week, dat gaan we doen. 

Refr. 

Zo’n gewone dag, dat je denkt: wat had ik toen een haast.
Niemand die je zegt, het is voor het laatst…

Ruis

Als ik de dagen en de nachten in mijn macht had.
Als ik kon zweven boven afgrond en riool.
Dan geeft het niets dat alles anders gaat dan ik verwacht had.
Dan fiets ik overal en nergens tussendoor. 

Als ik de goden en de duivels in mijn macht had.
Als ik kon draaien links en rechts en als een lier.
Dan zou ik lachen, om alles en om niets.
Nergens liever willen zijn dan hier. 

Refr.
Maar ik heb ruis in mijn oor.
Het kan niet waar zijn wat ik daar hoor.
Ruis in mijn oog.
Ik hou het bij die beelden niet langer droog.
Klopt het wel, dat het niet klopt. 

Als ik een stem had in de vrede en het wrede.
Als ik kon schieten met een roze startgeweer.
Dan zou ik fluiten als een kogel in een droombaan.
Ik zou me boren door mevrouw en door meneer. 

Als ik de feiten ken, zonder één maar.
Als ik het zie voor wat het is, zonder bezwaar.
Dan kan het wel waar zijn,
maar moeten moet er niets.
Want ik ben al waar ik was, voor ik er aankwam. 

Refr

Appeltje voor de dorst

 

Een droom van goud en glitter.
Ik zat in de flow.
De flappen die ik miste,
kreeg ik met geluk cadeau.
Het was een lange, arme reis,
op het eind kocht ik een lot en het was prijs.
Ik wist niet wat ik doen moest met die miljoenen in mijn hand.
Misschien maar eens vliegen uit dat natte Nederland. 

Refr:
Ja m’n appeltje voor de dorst, mijn mooie appeltje voor de dorst.
Nooit meer te hoeven kijken wat een bloemkool nou weer kost. 

Ze zeiden tegen mij: ga investeren,
maar ik hoefde niet zo nodig dus nee.
De goudprijs die zou speren,
goed advies, ik deed er niets mee.
Ik zei: 'allemaal bedankt,
maar mijn munten zet ik veilig op de bank.' 

(en daar zeiden ze).
'U bent erg slim dat u uw geld niet thuis bewaart.
Bij ons is het veilig, plus een rente dus u spaart.'

Refr. 

Bij de bank, zaten knappe koppen.
Verder had ik geen idee,
waar ik mijn geld in moest stoppen,
dus deed ik er niets mee.
En ik dacht misschien te lang na,
over wat ik met mijn munten nou het beste in de wereld eens kon doen.
Het was niet meer nodig, zo bleek na een maand of twee.
Ik kwam er achter toen ik mijn pinpas in de flappentapper deed.
Want.. de bank was omgevallen.
En niemand had het gedaan.
Het liep mis met de getallen,
en nou heb ik ook geen baan.
Dus koop ik maar weer lootjes.
Hopend op cadeautjes van onze lieve heer.

refr.
Dat was mijn appeltje voor de dorst,
mijn mooie appeltje voor de dorst,,,,

 

De pot met goud

In zijn tuin.
Onder rottend hout.
Op een meter diep.
Vond Paul een pot met goud.
Maar hij moest naar zee, met de oorlog mee.
Hij ging gedwee, maar voor dat hij dat deed.
Ging de pot weer in de grond, en Paultje lachte breed. 

Paul die schoot,
de vijand van hun boot.
Honderd keer schieten, en toen waren ze allemaal dood.
De oorlog was voorbij, Paul die was vrij.
Terug naar huis, naar zijn pot met goud.
En hij was heel blij want hij was nog niet zo oud. 

Refr.

Op en neer ging zijn schepje in de grond.
Wormen en aarde vlogen hoog in het rond.
Paul lachte breed, nat van het zweet.
Nog eventjes, nog wat dieper voor z’n pot.
Was’ie hier, was’ie daar, nog wat dieper maar, tot, tot.. 

Hij zo zeker als wat wist dat de tuin,
voor zijn huis omgespit was, dus weg fortuin.
Toen was hij al oud, en hij had het koud
en het lachen was hem nu wel eens vergaan.
Hij was zo moe hij kon niet eens meer staan. 

Toen ging hij dood, hij had jaren gezocht.
Z’n buurman heeft een kist voor hem gekocht.   

Refr
Op en neer ging zijn schepje in de grond.
Wormen en aarde vlogen hoog in het rond.
De buurman lachte breed, nat van het zweet.
Nog eventjes, nog wat dieper, voor de kist.
Ja, ja, hoe die buurman dat toch wist?

Ver van huis

Heel ver van huis.
Op het heetst van de dag.
Ik open de deur van een eeuwenoud pand.
Buiten laat ik buiten, in dit land waar ik de mensen niet versta,
Ik snap er geen jota van hier. 

Ik loop op plavuizen, richting de bar.
Overal koper en prenten, in lijsten van goud.
Boven mij…zware balken,
die tijden dragen.
Bloemen op de muren,
ik krijg het benauwd. 

Iets in mij voelt zich bekeken.
Ik hoor een kraan.
Lopen.
Weggaan, of blijven? Ik wacht op een teken,
van leven, of ben ik de enige hier? 

Opeens staat ze naast me en mooi dat ze is.
Waar komt die nou vandaan?
Ze komt nog een stap dichterbij. 
En alles staat stil als ze kijkt.
Alles staat stil, en het klopt ineens.

Er klinkt  heel zacht, gitaarmuziek.
Een kop en een schotel en een koekje bij de thee.
Zij schikt de tafels en ik kijk hoe ze dat doet.
Ze doet het goed, ze speelt het spel met mij mee.

 

Wat is nu tijd met haar zo vlakbij.
De klok draait een rondje.
Vooruit en terug, dat maakt hier niet uit.
Geen gister of morgen.
Want alles staat stil, als ze kijkt.
Alles staat stil, en het klopt ineens.

Mammoetman

Een wonder, 
eerst heb je licht en dan de donder.

Want je weet niet hoe het zit, je weet niet hoe het komt.
Je loopt in beestenvel, je woont in een grot.
Je kan niet lezen.
Maar jagen kan je wel. 

Je loopt daar.
Je kijkt heel ver en je ziet haar.
En je dankt voor wat ze geeft.
Je voelt je speer, je hand beeft,
Je sluipt tot heel dichtbij en dan laat je los.
Je kan niet lezen, maar jagen dat je kan.
Man, man, man, man, ma…nnn. 

Refr.
Toen alles nog een wonder was.
Liep jij al rechtop op je benen, onder sterren door te dwalen, door het lange gras.
Toen alles nog een wonder was.
Spoot er vuur uit de hemel,
met een grote klap veranderde de boom in as. 

Tienduizend jaar van heel hard werken.
Door kleinen, groten, zwakken, sterken.
En nu woon je dertig hoog.
Je weet van digitaal en analoog.
Je doet aan zen in het weekend,
schiet met pijl en boog.
In de roos, heel goed.
Mammoet, mamoetman. 

Refr.

Alles is herhaling

 

Computerkid ontdekt de Stones op de autoradio.
Brult luid mee, in zijn vaders cabrio.
Rolling Stones ontdekken Chuck Berry, nog in mono.
Ze spelen ‘come on’ in een studio. 

Come on. Since my baby parted      Come on,   I can’t get started,
Ah come on, come on, come on.
 

Computerkid speelt de Stones op de piano.
Hij zingt zacht mee. I can´t get no, I can´t get nieuw.
Nieuw, nieuw. 

Ref. 
Neem jezelf niet in de maling, alles is herhaling.
Nog een rondje, vallen, draaien en weer op staan. 

Computerkid draait een blow, ontvlucht de ratio.
Net als zijn pa ooit deed,  en het refrein gaat daarom zo. 

Ref. 4x

Zit het even tegen

Zit het even tegen.
Heb je koorts en jeukt het overal.
Aan het strand loop je door de regen.
En dan trap je ook nog op een kwal.
Zou je willen vluchten.
Weg van alle sores alle pijn,
Want ik hoor je al dagen zuchten.
En dat vind ik niet bijzonder fijn. 

Refr,
Weet je dat het nog veel erger kan.
Een kreeft gaat levend in de pan.
Soms loopt het anders dan gedacht, maar niet getreurd.
Die ander die nu wint,
komt heus ook aan de beurt.
Het zit even tegen, je hoofd gaan legen en rechtdoor. 

Je zweefde door het leven.
Nu sta je op de bodem van de put.
Ik zou je graag een tientje willen geven,
maar helaas ben ik ook platzak blut.
Morgen gaat het beter,
maar het kan ook slechter.. gaan.
Je gaat bidden bij een kruis van dertig meter
Jezus valt en jij blijkt daar te staan.

Refr